Babel

Met Babel is LOD-artiest Steve Salembier al toe aan zijn vijfde voorstelling voor LOD muziektheater. Na met Atelier Bildraum te hebben gewerkt rond het huis en zijn herinneringen in het bekroonde Bildraum, en de tuin en het landschap in opvolger In Between Violet and Green, verlegt Salembier de focus ditmaal naar ‘de stad’. Drijvend op nieuwe muziek van ZONDERWERK (Linde Carrijn & Dijf Sanders) is Babel een zintuiglijke performance geworden, een intrigerend en associatief spel over hoe wij, mensen, onze stedelijke omgeving bouwen, vormgeven en voortdurend aanpassen aan onze noden, behoeften en verlangens.

Ben je zelf een kind van de grootstad?

Salembier: Ik ben opgegroeid in Ieper, een kleine stad. Later heb ik in Gent, Antwerpen en Brussel gewoond. Allerminst megacities, maar ik zie België, of toch zeker Vlaanderen, eigenlijk als één grote stad. Dus ja, ik voel me wel een stedeling. De schaal en de verschijningsvorm van de stad intrigeren mij enorm. Datgene wat het individu overstijgt. Sinds dit jaar geef ik les in Londen, en ik voel me daar als een vis in het water. Omwille van de schaal, het anonieme, het hoogdynamische. En ook het enorme aanbod op vlak van cultuur en ervaringen is er overweldigend. Tegelijkertijd moet ik me regelmatig kunnen terugtrekken. Het voortdurende living in the fast lane en ontmoeten van nieuwe mensen kan belastend zijn en de akoestiek van de stad maakt me soms prikkelbaar en gestresseerd. Ik woon dan ook te midden van het groen in de Vlaamse Ardennen en verdeel mijn tijd bewust tussen Londen en Leupegem.

Hoe is het idee voor Babel ontstaan?

Salembier: Ook in de vorige voorstellingen van Atelier Bildraum stonden telkens beeld, ruimte, architectuur en verbeelding centraal. Maar het schaalniveau en de achterliggende focus waren telkens verschillend. Eerst ging het om het huis en zijn omgeving, daarna over de tuin en het landschap. Dit keer wilde ik werken rond de stad, met als vertrekpunt de Bijbelse mythe van Babel. Mijn werk groeit zo als een reeks waarin schaal een organiserend principe is.

Waarom de Toren van Babel?

Salembier: Omdat die toren een soort metafoor is voor architectuur en de stad: het streven van de mens om zijn leefomgeving aan te passen naar eigen noden en wensen, door dingen vorm te geven, ruimtes te maken, te bouwen en in te richten. Dit alles vertelt dan ook heel veel over de condition humaine, over hoe we leven en met elkaar omgaan. Daarnaast is er uiteraard ook het element van de ‘catastrofe’. Een ontzettend urgent element, met de huidige klimaatcrisis en de coronapandemie. En daarbij is het opmerkelijk, maar uiteraard niet toevallig, dat deze rampen – aardbevingen, tsunami’s, epidemieën – vooral repercussies hebben in grootstedelijke omgevingen. Dat we de voorbije maanden
met z’n allen plots alles binnenskamers moesten doen, in de badkamer online vergaderen of in de living kamperen, toont dat we in tijden van crisis ruimtes kunnen heruitvinden en herbenoemen. Over dat aanpassingsvermogen en die verbeeldingskracht van de mens wil ik nadenken en reflecteren, samen met het publiek.

Hoe interpreteer je die eeuwenoude mythe en vertaal je die naar de context van vandaag?

Salembier: Het verhaal verwijst uiteraard naar hoe de Babylonische samenleving op een bepaald moment ten onder gaat. Net zoals vele andere stedelijke samenlevingen op onze planeet: de Maya’s, de Assyriërs, de Egyptenaren, de Grieken, maar ook verschillende Aziatische rijken. Vaak gebeurt dat na ingrijpende klimaatveranderingen. Doordat de oogsten mislukken ontstaan er spanningen, conflicten en politieke twisten. Alles loopt fout, de mensen verstaan elkaar niet meer. In de Bijbel wordt die spraakverwarring omschreven als een straf van God. De mens moet zijn plaats kennen, zich bescheiden opstellen en geen steden willen bouwen die tot de hemel reiken. Dat is natuurlijk een erg eenduidige interpretatie. Je kan een conflict, crisis of catastrofe ook zien als een momentum. En de daaruit voortvloeiende spraakverwarring als een aanleiding om de dingen heruit te vinden, als een hefboom voor innovatie en creativiteit. Iets wat we nu ook deels zien gebeuren. Daarom dat ik de mythe van Babel veeleer interpreteer als iets productiefs, als een uitnodiging om de onvermijdelijke spraakverwarring te omarmen en de bijhorende ambiguïteit tussen vooruitgang en crisis toe te laten en in de ogen te kijken. Babel is in die zin voor mij een metafoor voor het aangeboren streven van de mens om zijn leefomgeving aan te passen. En inderdaad, in dat streven ontstaat er vaak een soort slingerbeweging naar het grootse, waarna alles weer in elkaar zakt. Maar dat zijn, nog eens, cycli van ontwikkeling en vernietiging die we door de geschiedenis van de mensheid wel meer hebben gezien. In dit opzicht bevinden we ons telkens opnieuw tussen iets als een futuristisch verleden en een archeologische toekomst.

Wat zijn andere, meer recente inspiratiebronnen voor Babel?

Salembier: Ontzettend veel films. Van Sofia Coppola’s Lost in Translation , Her van Spike Jonze, Manhattan van Woody Allen, over Himmel über Berlin van Wim Wenders, tot Rear Window van Alfred Hitchcock, waar de gevel en het raam een instrument worden die de kijker iets vertellen over de bewoners en hun onderlinge verhoudingen. Maar de belangrijkste filmreferentie voor dit project is wellicht Koyaanisqatsi, een documentaire uit de jaren tachtig die zonder woorden de verstedelijking wil laten zien, en hoe de mens op allerlei manieren de aarde uit balans brengt. De film is één langgerekte klaagzang over onze collectieve exploitatiezucht. Maar wat ik het meest inspirerend vind, is hoe de makers via uitsluitend beelden en muziek portretteren hoe we de aardbol naar onze hand zetten. In dat verband zijn ook de geschriften van Rem Koolhaas voor mij als architect een belangrijke inspiratiebron. En dan vooral Delirious New York, zijn mythische ‘manifest voor Manhattan’, en zijn theorieën rond bigness, the generic city en de disconnectie tussen stad en individu. En dan is er natuurlijk ook het werk van de onlangs overleden Duitse fotograaf Michael Wolf, die zijn hart verloren had aan Hongkong en daar indrukwekkende portretten van de grootstad heeft gemaakt. Door de lucht en het maaiveld doelbewust buiten beeld te houden, slaagde hij erin om in één beeld te vatten hoe die grootstad als een onaangepaste biotoop functioneert.

Hoe ziet jouw portret van de grootstad eruit?

Salembier: Het is het portret van een stad als toren, een stad waarin zowat alle steden huizen, een portret dat live op scène en beetje bij beetje vorm krijgt via een scenografische installatie. Noem het een soort Wunderkammer, een kabinet met kasten en lades die kunnen opengaan, en waarin – precies als in een hoogbouwtoren – allerlei werelden of stedelijke fragmenten verborgen zitten. Die werelden worden live opgebouwd, gecapteerd en geprojecteerd op een scherm, waardoor je als toeschouwer binnendringt in het lichaam van die stad, om er daarna terug afstand van te nemen. Een zintuiglijke trip, zeg maar, waarin de stad wordt verbeeld, zowel live op scène als in de beelden die gecreëerd worden aan de hand van de installatie.

Je noemde daarnet als inspiratiebron Koyaanisqatsi, waarvan de soundtrack door Philip Glass bijna even iconisch is als de film zelf. Kan je al iets lossen over de muziek in Babel?

Salembier: Van in het begin had ik een soundtrack in gedachten die zou drijven op een aanhoudende beat als de hartslag van de stad. Het ritme of de beat is dan ook de muzikale bouwsteen van zowat alle uitgesproken stedelijke muziekgenres – zoals house, hiphop of jazz. Maar die beat is tegelijkertijd ook essentieel in Gamelan uit Indonesië of Yoruba uit Nigeria, voor muziekgenres uit regio’s waar zich vandaag in ijltempo nieuwe golven van verstedelijking voordoen. Samen met Linde Carrijn en Dijf Sanders van ZONDERWERK ging ik op zoek naar een soundtrack die bijgevolg zowel machinaal en repetitief als synthetisch en analoog zou klinken. We ontwikkelden een muzikaal principe van klankcarrousels; een soort cyclische composities die voortdrijven op “aangetaste” ritmes. Die ontvouwen zich op hun beurt tot één grote muzikale beweging aangestuurd door de live beeldenstroom. De klankcarrousels worden opgebouwd uit een veelheid aan laagjes van akoestische en digitale klanken. Het klankenpalet krijgt daarmee iets ambigu, tegelijk bevreemdend en herkenbaar, onverschillig en warm.

- Marieke Baele